“De wereld van de literatuur is groter geworden maar de uitstraling kleiner.” Dat is de stelling van de Nederlandse literatuurwetenschapper Thomas Vaessens. Volgens hem moet de literatuur blijk geven van ‘vitaal burgerschap’ en de schrijver zich gedragen als een ‘publieke intellectueel’.
Deze en andere stellingen schreef hij uit in het boek ‘De revanche van de roman’ (*) dat bij onze noorderburen voor opschudding en polemiek zorgde bij critici, schrijvers en wetenschappers. Vaessens werd verweten ‘populistisch’ te zijn en te weinig rekening te houden met de ‘autonomie van de tekst’ en de vrijheid om die niet letterlijk te nemen.
Daarop repliceerde Vaessens dan weer dat “schrijvers, literatuurwetenschappers en critici zich niet langer moeten verschuilen achter het argument dat het niet de schrijvers zijn die opvattingen over de werkelijkheid verkondigen. Ze moeten er voor uit durven komen dat zij dat zelf doen. Op een literaire, dus complexe manier. Zeggen dat je een schrijver bepaalde uitspraken niet mag aanrekenen omdat literatuur autonoom is, maakt blind voor de politieke en morele implicaties van literatuur.”
Of Vaessens’ toch wel prikkelende uitspraken ook gelden voor de Vlaamse literatuur lijkt mij niet vanzelfsprekend. Wie boeken leest als “De leraar” van Bart Koubaa, “De heining” van Jan Van Loy, “De helaasheid der dingen” van Dimitri Verhulst of “Godenslaap” van Erwin Mortier of…. kan moeilijk volhouden dat de literatuur in Vlaanderen zich opsluit in een elitaire niche van vrijblijvendheid of zich tooit met cynische wereldvreemdheid.
Interessant is bovendien dat een collega van Vaessens, Odile Heynders, onlangs in haar oratie stelde dat “literaire auteurs de rol van intellectuelen in het maatschappelijk debat lijken overgenomen te hebben. De Europese schrijver is kritisch ten aanzien van de ideeëngeschiedenis en traditie, reflecteert op sociale en politieke omstandigheden.”
Of ze inderdaad de rol van de (andere) intellectuelen hebben overgenomen lijkt mij een grove conclusie. Maar we kunnen er wel niet naast kijken dat veel schrijvers, en niet alleen Tom Lanoye, Erwin Mortier of Kristien Hemmerechts, zich bekommeren om politieke en sociale kwesties en zoeken naar een vorm om hun kritiek te verwoorden in romans, in essays, in pamfletten en tv-optredens. Ze zijn dus volop aanwezig, sommigen moeten er zelfs over waken dat ze niet over alles en nog wat gevraagd vlug een mening te formuleren.
Ook de Vlaamse auteur en dichter Jeroen Theunissen (*) heeft zich in het verleden , o.a. in een ‘mini-manifest’ in 2004, afgezet tegen “die goed gemaakte en ongevaarlijke producten” die schrijvers afleveren. In een mooi interview in de Poëziekrant (*) actualiseert hij zijn gedachten hierover. Interessant is dat hij blijkbaar een onderscheid maakt tussen de maatschappelijke positie van de schrijver en de plaats van de literatuur. Het is niet omdat de schrijver zich mengt in het publieke debat en daar eventueel de nodige weerklank krijgt, dat ook zijn werk een belangrijke positie inneemt.
“Literatuur speelt maatschappelijk gezien nauwelijks nog een rol”, zegt hij. ” Aan het begin van de 20ste eeuw kon je nog zeggen dat de kunsten en de wetenschappen vergelijkbare manieren waren om tot zoiets als ‘waarheid’ te komen, maar tegenwoordig zit het wel anders. Wat ik zelf voor ogen had met ‘gevaarlijke’ literatuur was het soort schrijven dat de lezer niet naar de mond praat maar hem naar de keel grijpt.”
Hij voegt er wel aan toe dat literatuur uiteraard een “talige constructie blijft”. Dat is het essentiële verschil met de journalistiek of het dagelijkse, gesproken woord. In dat verschil toont zich de waarde van deze kunstvorm. Ze “moet de lezer overhoop halen” maar dan gebeurt juist door haar kwaliteit, haar toon, haar stijl.
Deze redenering illustreert hij in zijn recente bundel “Het zit zo”. Theunissen staat met zijn voeten op de aarde, op de grond, maar zijn taal blijft er niet aan vastplakken. Hij schudt de woorden tot beelden en gedachten die de tijdsgeest in al haar vormen overhoop halen.
Zoals in “Over goede raad” :
En je moet voorzichtig zijn, wordt soms gefluisterd
door lieden die het leven hebben verward
met regelmaat. Jong zijn is leuk, een flard
plezier maar meer ook niet, beweren zij.
Het leven volgens hen is ernstig, soms hard,
daarna pensioen. Wij zitten hier gekluisterd
in cellen, comfortabel. Kwetsbaar. Vrij
is wie terwijl hij leeft niets breekt. Maar de zwarte
kant is geen andere kant, is realiteit
die ik draag in mij. Mijn menselijke machine
is niet perfect beheersbaar, moraliteit
is geen excuus voor luwte, mijn discipline
iets anders dan een brave, milde routine.
Om al te voorzichtig te zijn is er geen tijd
(*) Thomas Vaessens : “De revanche van de roman”. Vantilt, 2009. 255 blz.
Zie ook de uitgebreide discussiefora in dag- en weekbladen zoals :
- http://www.groene.nl/2009/16/De_revanche_van_de_roman ;
- http://knack.rnews.be/kanaal/boeken/volwassenen/non-fictie/thomas-vaessens—de-revanche-van-de-roman/site72-section189-article35173.html ;
- http://www.vn.nl/Standaard-mediapagina/ThomasVaessensLiterairePopulisme.htm
(*) Jeroen Theunissen (1977) debuteerde opmerkelijk met ‘De onzichtbare’ (2004). Hij publiceerde de dichtbundel ‘Thuisverlangen’ (2005) en de positief onthaalde verhalenbundel ‘Het einde’ (2006). Voor dat boek kreeg hij de Prijs van de Provincie Oost-Vlaanderen. In 2OO8 verscheen zijn derde roman ‘een vorm van vermoiedheid’ en dit jaar de dichtbundel ‘ Het zit zo’. Zie ook: http://www.klara.be/cm/klara/2.1345/1.45635
(*) In ‘Poëziekrant’, oktober 2OO9. : http://www.poeziecentrum.be/poeziekrant/Poeziecentrum - Poeziekrant.htm
Recente Reacties